“Mama, als we doodgaan, kunnen we dan echt nooit meer opnieuw leven?”
Maandagochtend. We hadden zo goed als aan de schoolpoort moeten staan. Noodgedwongen schuif ik terug aan de ontbijttafel.
Zoals zovelen leg ik mijn boontjes niet te week op een paradijselijk hiernamaals. Het zal hier moeten gebeuren, in dit leven. Ik heb er zelfs mijn beroep van gemaakt.
Ik slik, haal adem en fluister bijna: “Ik vrees van niet, Elias.”
In zijn grote ogen zie ik mijn diepste angst weerspiegeld: wat als ik dan nog niet heb kunnen spelen? Hartverscheurende tranen beantwoorden mijn stilzwijgen. Hij weent voor twee.
Terwijl ik hem vasthoud, bedenk ik hoe hard we allemaal ons best doen om vooruit te komen. Hoe hard ík mijn best doe om het leven beter te maken. Voor mezelf. Voor anderen. Zijn we zo druk bezig ons leven en lijf te verbouwen, dat we vergeten erin te wonen?
Nochtans merk ik dat dit niet per se vraagt om al die noeste arbeid.
Tot mijn verbazing volstaat Elias’ dinopuzzel van tweehonderd stukken. Toch laat ik die puzzel voor mezelf achter in de speelgoedwinkel. Puzzelen dient werkelijk nergens toe, daar heb ik geen tijd voor. Of kan ik er toch een hoger doel bij bedenken? Allicht heeft mijn brein er deugd van? Draagt puzzelen niet bij tot de creativiteit? Ik schrik van mijn eigen gedachten. Wanneer heb ik voor het laatst nog iets gedaan enkel en alleen voor het plezier?
Met veel passie draag ik de kracht van keuzes uit.
Met nog meer liefde herinner ik mensen aan het vernuft van hun biologie.
Maar niet om later gelukkig te worden.
Elias zag dat na vijf minuten zonneklaar.
“Dan moet ik vanavond na school héél veel spelen, mama.”
Voor mijn verjaardag tipte Elias aan papa het geknipte cadeau.
Het kostte me nog negen maanden voor ik eraan durfde te beginnen.




